Sinds de jaren 80 van de twintigste eeuw is het begrip trauma een onderdeel geworden van het algemeen geaccepteerde wereldbeeld. Voor die tijd bestond het eigenlijk ook al, maar onder verschillende andere benamingen die met name tijdens de grote oorlogen naar boven kwamen. Daarna verdween het dan na een aantal jaren weer. Een van de meest bekende benamingen voor trauma uit het verleden is “shell shock”, een diagnose voor getraumatiseerde (Britse) militairen tijdens de eerste wereldoorlog. Er werd toen gedacht dat ontploffingen die van zeer nabij werden meegemaakt traumatische symptomen teweegbrachten doordat ze door de schokgolven letterlijk het zenuwstelsel beschadigden. Eenzelfde soort idee bestond al in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen met name Britse artsen dachten dat het heftige trillen en schudden van de nieuwe stoomtreinen de zenuwen in de ruggengraat beschadigden en daardoor konden leiden tot de zogenaamde de “railway spine”. Ook het destijds relatief grote aantal ongelukken met stoomtreinen—waarbij getraumatiseerde passagiers schadeclaims indienden tegen de stoomtrein maatschappijen—speelde een rol in deze zienswijze. Deze mechanistische modellen om trauma symptomen te verklaren werden geleidelijk aangevuld met meer psychologische verklaringen. Trauma werd bijvoorbeeld ook steeds vaker uitgelegd als een vorm van hysterie. Ter verklaring van zo’n “geesteszwakte” werd dan vaak toch weer naar de lichamelijke constitutie van een patiënt gekeken, waarbij erfelijkheid of ziekte gezien werd als veroorzaker van een lichamelijke basis van de zwakte.
Met name dankzij het werk met de vele getraumatiseerde Vietnamveteranen en door de druk van vrouwenbewegingen die opkwamen voor getraumatiseerde slachtoffers van verkrachting werd in 1980 de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) voor het eerst opgenomen in het diagnostisch handboek van de Amerikaanse Psychiatrische Vereniging waarvan toen de derde editie verscheen (de DSM-III). In deze en latere edities van de DSM lag de nadruk op de verschillende criteria voor een diagnose van PTSS, niet op een verklaring van wat trauma is. Inmiddels kent het handboek zijn vijfde herziene editie (DSM-5-TR®) en zijn de diagnostische criteria voor PTSS helder geformuleerd in de vorm van een aantal voorwaarden en vier symptoomcategorieën. De DSM wordt ook in Nederland gebruikt als officiële leidraad voor de diagnose van psychologische stoornissen, waaronder PTSS.
Wanneer we kijken naar de belangrijkste therapieën waarmee PTSS tegenwoordig wordt behandeld dan kunnen we daarin een globaal onderscheid maken tussen therapieën die meer via het lichaam werken (lichaamsgerichte therapieën) en therapieën die meer cognitief van aard zijn. Dat lijkt erop te wijzen dat trauma zowel een lichamelijke (of somatische), als een cognitieve kant heeft. Een adequaat traumamodel zou dus zowel een somatische als een cognitieve verklaring van trauma moeten geven. Onderstaand volgt een beknopte poging daartoe.
In zijn boek De stem van je lichaam beschrijft de Amerikaanse therapeut en biofysicus Peter Levine een van de eerste therapiesessies die hij gaf. Een bevriende psychiater had een vrouw naar hem doorverwezen met tal van klachten, onder andere hevige agorafobie en heftige paniekaanvallen. Toen Levine probeerde haar te laten ontspannen bevroor ze spontaan in een paniekaanval en terwijl hij daardoor zélf lichtelijk in paniek begon te raken kreeg hij een ingeving. Hij riep haar toe: “Rennen!!! Er zit een tijger achter je aan! Klim op die rotsen om te ontsnappen!” Tot zijn verbazing begonnen de benen van de vrouw te trillen en daarna rennende bewegingen te maken. Vervolgens begon ze over haar gehele lichaam te schokken en te trillen—eerst hevig en daarna geleidelijk rustiger. Toen het trillen uiteindelijk langzaam verdween ervoer ze een gevoel van vrede dat haar naar eigen zeggen “met warme tintelende golven omarmde”. In die tijd bestudeerde Levine ook het gedrag van prooidieren die ternauwernood aan een roofdier wisten te ontsnappen. Als zo’n prooidier door een roofdier gegrepen wordt bevriest het of wordt het helemaal slap—alsof het al dood is. Soms wordt het roofdier na de vangst van de prooi afgeleid. Dan kan het gebeuren dat het prooidier kans ziet om op te staan en aan het roofdier te ontsnappen. Wanneer het prooidier zich dan even later in relatieve veiligheid bevindt, zal het een tijdlang hevig staan schokken en trillen. Wanneer het schokken en trillen is afgelopen gedraagt het dier zich weer normaal, alsof er niets gebeurd is.

Behalve dat Levine het fenomeen van schokken en trillen ook in zijn cliënte had waargenomen en een verband tussen het gedrag van een ontsnapt prooidier en zijn cliënte zag, kwam hij geleidelijk tot de conclusie dat het prooidier en zijn cliënten zich door het schokken en trillen van geactiveerde overlevingsenergie bevrijdden. Bij zijn cliënten was die overlevingsenergie op de een of andere manier in het lichaam geactiveerd gebleven. Op basis van dit inzicht ontwikkelde Levine in de jaren die volgden een lichaamsgerichte traumatherapie. De door Levine ontwikkelde therapie staat tegenwoordig bekend als Somatic Experiencing® (somatisch, of lichamelijk ervaren).
Sinds de vorige eeuw is het gedrag dat mensen en dieren vertonen tijdens acuut (levens)gevaar uitgebreid onderzocht. Dit overlevings- of coping gedrag wordt gekenmerkt door een aantal reflexmatige of instinctieve reacties op de dreiging. Hierin spelen activatie van respectievelijk het sympathisch- en het parasympathisch zenuwstelsel een belangrijke rol—zie de figuur. Samen vormen het sympathisch- en parasympathisch zenuwstelsel het autonome zenuwstelsel, wat aanduidt dat deze beide takken van het zenuwstelsel autonoom hun werk doen, zonder veel inmenging van de bewuste wil. Activering van het sympathisch zenuwstelsel zorgt ervoor dat het lichaam klaar is voor actie—om fysiek tot het uiterste te kunnen gaan en, in het geval van gevaar, aan de dreiging te ontkomen en/of weerstand te bieden. Activering van het parasympathisch zenuwstelsel helpt ons normaal gesproken om tot rust te komen, in het geval van een (levens)gevaarlijke situatie heeft het echter een andere functie. Als het gevaar onontkoombaar is en we acuut met ernstig letsel of de dood bedreigd worden, zorgt activering van het parasympathisch zenuwstelsel ervoor dat onze lichamelijk ervaringen “verdoofd" worden. Anders gezegd zorgt deze activering ervoor dat ons bewustzijn gedeeltelijk of geheel van ons lichaam gescheiden wordt (dit wordt ook wel dissociatie genoemd) —zie verder.
De figuur toont het volledige scala aan gedragsmogelijkheden bij acute dreiging. Samen vormen zij een sequentie. Afhankelijk van de situatie kunnen meerdere achtereenvolgende stappen in de sequentie doorlopen worden. Vrijwel iedereen kent wel de begrippen vlucht- en vechtreactie. Deze werden aan het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw door Walter Cannon geïntroduceerd. Ondertussen is het begrip van plotseling bevroren “aan de grond genageld” staan—het niet meer kunnen bewegen in een acuut bedreigende situatie—ook vrij algemeen bekend. Maar naast deze drie bekende reacties kunnen er bij een acute dreiging ook nog een aantal minder bekende reacties optreden. Op zich zal iedereen uit eigen ervaring het fenomeen van de Straus reflex kennen: het je met een schok schrap zetten wanneer je van iets schrikt, vaak gevolgd door een kortstondige, lichte lichamelijke bevriezing. Tijdens de schok trek je je een moment helemaal terug en vergeet je alles waar je mee bezig was. De bevriezing gaat gepaard met een acute alertheid die als doel heeft te beoordelen of er sprake is van een dreiging, waar die vandaan komt en hoe je er het beste op kunt reageren (de oriënteringsreactie). Tijdens de oriënteringsreactie beweegt het hoofd wel, maar de rest van het lichaam houdt zich stil.
Het zogenaamde bevriezen of autonoom stilhouden van (een deel van) het lichaam wordt in de wetenschappelijke literatuur immobiliteit genoemd. Die immobiliteit kent drie niveaus:
1. De lichte bevriezing wanneer je van iets schrikt—dit wordt alerte immobiliteit genoemd.
2. Het “aan de grond genageld staan” bij een acute dreiging—dit wordt tonische immobiliteit genoemd omdat de spieren verstijven.
3. Bij een minder bekend derde niveau van immobiliteit verslappen de spieren juist en lijkt het alsof de mens of het dier flauwgevallen of zelfs gestorven is—ik heb dat in de figuur slappe immobiliteit en dichtgaan genoemd
Het verschil tussen dichtgaan en flauwvallen is dat de mens of het dier tijdens deze slappe immobiliteitsfase nog bij bewustzijn is—al is er wel sprake van een verregaande dissociatie tussen bewustzijn en lichaam (wat er met het lichaam gebeurt wordt als vanaf een afstand waargenomen en pijn wordt niet direct ervaren).
Schrikken en alertheid, de vlucht- of vechtreactie en tonische immobiliteit staan sterk onder invloed van het sympathisch zenuwstelsel en zijn erop gericht aan het gevaar te ontsnappen of weerstand te bieden. Dichtgaan en flauwvallen staan sterk onder invloed van het parasympathisch zenuwstelsel en lijken erop gericht acuut lijden te verminderen. Bij sommige diersoorten is deze fase een overlevingsstrategie. Tijdens dit zogenaamde “dood spelen” wordt het dier dan niet alleen helemaal slap maar scheidt het ook een doodsgeur uit waardoor het roofdier kan besluiten het dier met rust te laten zodat het uiteindelijk overleeft. Voor hogere diersoorten en de mens geldt dat wanneer de parasympathische activering te sterk is of te lang duurt er geen weg terug meer is en het metabolisme uiteindelijk volledig stopt. In het uiterste geval eindigt parasympathische activering dus in de dood, zelfs wanneer de acute dreiging zelf niet dodelijk was.
De boodschap van Peter Levine is dat er in het dierenrijk na zo’n heftige activering van het autonome zenuwstelsel een soort reset van het zenuwstelsel plaatsvindt zodra het dier in relatieve veiligheid is. Die reset uit zich als het hierboven beschreven heftige schokken en trillen en kan geruime tijd duren. Bij mensen bestaat deze reactie ook, aldus Levine, maar wordt het schokken en trillen vaak onderdrukt. Hierdoor blijft de reset uit en blijft het zenuwstelsel steken in een permanente staat van autonome activering. Dit leidt al snel tot een vicieuze cirkel, want dat permanent geactiveerde autonome zenuwstelsel zorgt voor tal van ongewenste symptomen die op hun beurt ook weer onderdrukt worden. Dit is hoe Levine de symptomen van posttraumatische stresstoornis verklaart. Zij zijn een gevolg van de onderdrukking van de reset van het autonome zenuwstelsel wat hierdoor in een permanente staat van activering blijft steken.
Een populaire behandelmethode van trauma is EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing). EMDR lijkt het midden te houden tussen een behandelmethode via het lichaam (via oogbewegingen of andersoortige ritmische stimulatie) en via de cognitie. De verklaringen die voor de werking van EMDR gegeven worden zijn veelal geïnspireerd door de cognitieve wetenschappen en leggen de nadruk op de cognitieve verwerking van traumatische ervaringen. Om deze reden bieden EMDR en hoe erover gedacht wordt een interessante kijk op de cognitieve kant van trauma.
EMDR is ontwikkeld door de Amerikaanse psychologe Francine Shapiro (1948-2019—zie foto). Die ontwikkeling is terug te voeren op een unieke ervaring van Shapiro. Op een zonnige lentedag in 1987, tijdens een wandeling rond een meertje, werd ze in beslag genomen door een vervelende gedachte met bijbehorende negatieve gevoelens. Even later werd ze zich ervan bewust dat de negatieve gedachte vanzelf verdwenen was. Ze was gewend dat zulke gedachten niet vanzelf verdwijnen, maar dat ze ze actief moest verbannen, dus ze vroeg zich af waarom het deze keer anders was gegaan. Toen ze dezelfde gedachte weer voor de geest haalde merkte ze bovendien dat de gedachte zijn negatieve gevoelslading grotendeels verloren had. Door een diagnose van kanker, acht jaar eerder, en met name door het daaropvolgende genezingsproces, had Francine geleerd goed op de interactie tussen wat er in haar lichaam en haar geest gebeurde te letten. Nu ging ze in gedachten terug naar wat er precies gebeurd was toen ze, al wandelend, door die vervelende gedachte werd gekweld. Ze werd zich ervan bewust dat ze, terwijl ze door de gedachte in beslag werd genomen, snelle diagonale oogbewegingen had gemaakt. Dit wekte onmiddellijk haar interesse en ze begon te experimenteren met gelijksoortige oogbewegingen. Ze zocht naar negatieve gedachten en terwijl ze zich op die gedachten concentreerde maakte ze gelijktijdig eenzelfde soort oogbewegingen.

Ze merkte dat hierdoor de een na de andere gedachte zijn negatieve gevoelslading verloor.
In de dagen erna begon Shaprio te experimenteren met vrienden en kennissen. Ze vroeg hen zich op negatieve gedachten te concentreren en tegelijkertijd diagonale oogbewegingen te maken. Ook dit leidde tot eenzelfde resultaat. Wanneer mensen het moeilijk vonden om spontaan de oogbewegingen te maken hielp Shapiro hen door haar vingers voor hun ogen heen en weer te bewegen terwijl ze hen vroeg met hun ogen de beweging van haar vingers te volgen. In de daaropvolgende maanden formaliseerde ze een methode om mensen te helpen vervelende gedachten of ervaringen voor de geest te halen en deze vervolgens met behulp van oogbewegingen te “behandelen” tot de negatieve gevoelslading verdwenen was. Ook begon ze te werken met getraumatiseerde Vietnamveteranen om de effectiviteit van de door haar ontwikkelde behandelmethode op het verwerken van traumatische ervaringen te onderzoeken. De behandelmethode bleek daarvoor bijzonder effectief. Aanvankelijk noemde Shapiro haar behandelmethode Eye Movement Desensitization (EMD—vertaald: desensitisatie door oogbewegingen), later voegde ze er Reprocessing (letterlijk “her-verwerken”) aan toe.
Intuïtief vermoedde Shapiro dat er een connectie bestaat tussen de diagonale oogbewegingen die zij tijdens het verwerken van negatieve gedachten maakte (en die ze anderen tijdens het verwerken van negatieve ervaringen liet maken) en de snelle oogbewegingen (Rapid Eye Movement—REM) die we tijdens de droomfase in de slaap maken. Ze dacht dat tijdens de droomfase de ervaringen van de voorafgaande dag verwerkt worden en dat de oogbewegingen daar op de een of andere manier in faciliteren. Het verwerken van gebeurtenissen zag ze als het mentaal een plaats geven aan die ervaringen, waardoor het legitieme biografische herinneringen werden. Neurobiologisch dacht ze dat de informatie die tijdens de verwerking uit de ervaringen gedestilleerd werd opgenomen werd in het globale informatienetwerk van degene die de ervaringen had ondergaan. Ze zag traumatische herinneringen als informatie die niet in dit globale netwerk geassimileerd wordt, maar ingekapseld wordt in afzonderlijke, disfunctionele informatienetwerken die de functionaliteit van het globale netwerk ondermijnen en daardoor bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor de negatieve symptomen van PTSS. Haar theorie was dat de heen-en-weer-gaande oogbewegingen het informatieverkeer tussen beide hersenhelften bevorderen waardoor de informatie in de disfunctionele netwerken opnieuw verwerkt wordt (vandaar her-verwerken) en nu wel wordt opgenomen in het (functionele) globale informatienetwerk. Ze noemde deze herverwerking adaptieve informatie verwerking (Adaptive Information Processing—AIP).
Tegenwoordig worden er tijdens EMDR behandelingen behalve de heen-en-weer gaande oogbewegingen ook andere vormen van ritmische stimulatie gebruikt. Bijvoorbeeld geluiden (zoals klikjes) die via een hoofdtelefoon afwisselend in het linker- en rechteroor worden afgespeeld, of ritmisch afgewisselde tikjes op verschillende delen van het lichaam. Meestal gaat het daarbij nog steeds om stimulatie die afwisselend de linker- en de rechterhersenhelft prikkelt.
We leven in een wereld waarin informatie (data) en haar (hun) verwerking in een paar decennia een van de belangrijkste modaliteiten zijn geworden. In de cognitieve wetenschappen verstaat men tegenwoordig onder cognitie zowel het proces als het resultaat van informatieverwerking. Informatieverwerking wordt binnen de cognitieve wetenschappen beschouwd vanuit een soort mechanistisch model waar het mechanisme voor het grootste deel bestaat uit signaal -overdracht, -verwerking en -opslag binnen het zenuwstelsel. Trauma wordt daarbij gezien als een disfunctionele manier van informatieverwerking, waarbij ook het endocriene systeem (het hormoonstelsel) een belangrijke rol speelt. In het model van Shapiro ontstaan er door de disfunctionele informatieverwerking naast het functionele globale netwerk zoals gezegd dus disfunctionele nevennetwerken. Deze disfunctionele netwerken functioneren onafhankelijk van het globale netwerk en zouden bij activering de typische trauma-gerelateerde symptomen veroorzaken zoals die in de DSM-5-TR voor PTSS staan beschreven. Traumatherapie bestaat volgens dit model uit het bewust focussen op en opnieuw verwerken van informatie in de disfunctionele netwerken waardoor deze nu wel opgenomen wordt in het functionele globale informatienetwerk.
Ik* sta hier redelijk uitgebreid stil bij het door Shapiro voorgestelde model van adaptieve informatieverwerking omdat het goed aansluit bij de gangbare informatieverwerkingstheorieën in de hedendaagse cognitieve wetenschappen. Tijdens mijn promotieonderzoek naar traumaverwerking (2019-2023) heb ik gezocht naar een alternatief model voor de cognitieve kant van trauma en traumaverwerking, een model dat niet uitgaat van het gangbare idee van informatieverwerking, maar waarin cognitie benaderd wordt als het begrijpen van en betekenisgeven aan ervaringen. Ik heb daarvoor binnen een specialistische GGZ setting de eerste-persoons ervaringen van cliënten met PTSS onderzocht tijdens zowel reguliere als intensieve traumatherapie (onder andere met EMDR).
Bij trauma zijn er twee vaak voorkomende fenomenen waarvan eigenlijk meteen wel duidelijk is dat ze met cognitie te maken hebben. Enerzijds is dat het fenomeen van herbeleving van de traumatische ervaring in de vorm van invasieve beelden en gedachten die ongewenst het bewustzijn binnendringen—denk hierbij bijvoorbeeld aan flashbacks en nachtmerries. Anderzijds zijn dat negatieve zelfbeelden die het gevolg zijn van de traumatische ervaring—met name het zichzelf zien als fundamenteel zwak, slecht of falend. Beide fenomenen behoren ook tot een symptoomcategorie voor PTSS in de DSM-5-TR: het eerste tot de categorie van zogenaamde intrusieve symptomen (criterium B) en het tweede tot de categorie van negatieve veranderingen in cognitie en stemming (criterium D).
De conclusie van mijn promotieonderzoek was dat een traumatische ervaring iemands vermogen om zo volledig mogelijk eigenaar te zijn van diens lichamelijk en cognitief functioneren kan ondermijnen. Activering van instinctieve reacties bij acute dreiging en het onderdrukken van de eerdergenoemde somatische reset (zie hierboven in De somatische kant van trauma) ondermijnt iemands eigenaarschap over diens lichamelijk functioneren, terwijl overweldigd worden door traumatische indrukken en ervaringen iemands vermogen die indrukken en ervaringen goed te kunnen bevatten ondermijnt. In de menselijke ontwikkeling kan zowel het leren beheersen van het lichaam als het leren bevatten van (het zin geven aan) indrukken en ervaringen worden gezien als een zich eigen maken—enerzijds het zich eigen maken van het lichamelijk functioneren, anderzijds het zich eigen maken, ofwel begrijpen van indrukken en ervaringen. Traumatische ervaringen kunnen dit eigenaarschap ondermijnen. Of, anders gezegd, zij kunnen het vermogen van het menselijke ik om zich lichaam en geest zoveel mogelijk eigen te maken ondermijnen. Daardoor ontstaan er onbeheerste—dus: niet eigen—lichamelijke impulsen en (wezens)vreemde—wederom: niet eigen—indrukken en gedachten in iemands persoonlijke ervaring.
Aan de cognitieve kant zijn er dus enerzijds de invasieve indrukken en gedachten en anderzijds de negatieve zelfbeelden. De invasieve indrukken zijn vooralsnog onverwerkte zintuigelijke- en gevoelservaringen. Ons denken, ons cognitief vermogen, heeft zich nog niet met deze indrukken en gevoelens verbonden. Daardoor worden ze niet in de grote samenhang beleefd waarin we de wereld en onszelf hebben leren kennen. Zij behouden dan hun oorspronkelijke “rauwe” karakter, waardoor het kan lijken alsof de gebeurtenis niet in het verleden ligt, maar nu plaatsvindt. Wanneer indrukken verwerkt worden en dus in de grote samenhang geplaatst worden die onze cognitieve werkelijkheid vormt worden zij herinneringen. Invasieve gedachten zijn weliswaar cognities, maar ook bij hen ontbreekt het beleven van de samenhang met ons wereld- en zelfbeeld. Dit kunnen bijvoorbeeld cognities zijn waarvan een misbruiker zijn slachtoffer heeft geprobeerd te overtuigen, om zo de waarheid rond het misbruik te verdoezelen. Bij negatieve zelfbeelden leidt een directe beleving tijdens traumatische ervaringen (het acute niet kunnen, het falen, of het iets doen waarvan men weet dat het moreel niet in orde is) tot een oordeel over zichzelf. Dat oordeel neemt de plaats in van een gezond zelfbeeld. De directe ervaring tijdens de traumatische gebeurtenis wordt tot een overtuiging over de eigen diepste werkelijkheid: ik kan het niet, ik ben tot falen gedoemd, ik ben slecht. Het kan ook zijn dat de directe ervaring tijdens de traumatische gebeurtenis tot een negatieve overtuiging over andere mensen of de wereld leidt—bijvoorbeeld: mensen/mannen/vrouwen zijn niet te vertrouwen, de wereld is gevaarlijk, etc.
*dr. Paulus de Wit
Samenvattend kan trauma dus gezien worden als een gedeeltelijk verlies van eigenaarschap over lichamelijk functioneren, over indrukken en/of over gedachten. Anders gezegd kan het gezien worden als een gedeeltelijk niet aanwezig zijn in ons lichaam en onze cognitieve activiteit. Iets anders heeft onze plaats in ons lichaam en/of in onze cognitieve activiteit ingenomen. Dit kunnen overlevingsreflexen zijn, of rauwe zintuigindrukken, of ook beperkende of zelfs ronduit onjuiste cognities. Wanneer we getraumatiseerd zijn heeft ons ik niet langer optimaal toegang tot ons lichamelijk functioneren en tot ons kennen en oordelen.
© 2026 Paulus de Wit (website inhoud, ontwerp en publicatie).